Flash Fictie: Op het strand

In 1966 vierde ik mijn zestiende verjaardag, Sweet Sixteen. Het was een fijne dag. Ik had een aantal vriendinnen van school uitgenodigd en de familie van Helene was er. Er was taart en koek met een glaasje sherry. Ze gaven me leuke cadeautjes. Mijn verjaardag was nog nooit gevierd op deze manier en ik had een beetje moeite met alle aandacht. Ik hoorde niets van Moeder en ze kwam ook niet langs. Ik voelde me opgelucht.

De volgende dag was het zaterdag en Vader en ik besloten naar het strand te gaan met de honden. Het was een warme dag en de zon scheen heerlijk. We gingen er op de fiets naar toe en eenmaal op het strand bleek er een flinke wind te staan. Ik begon stokken te gooien terwijl we rechtsaf naar de strandtent liepen. Vader liep een eindje achter mij en ik was aan het spelen met de honden. Ik was gelukkig.

Op een gegeven moment keek ik achter me en zag Vader op het strand liggen. Ik vond het gek dat hij was gaan liggen en ik moest lachen.

‘ Vader, waarom doe je zo raar?’

Ik riep de honden en we liepen naar hem toe.

Een deel van mij is gestorven in de ambulance. De band die ik had met mijn vader, zijn liefde voor mij. Al het leven sijpelde weg uit mij toen ik in de ambulance naar hem keek. Hij was toen al dood. Ik voelde me ook dood. Ik kon niet huilen. Ik wilde alleen maar dat Helene zou komen om het van mij over te nemen.

In het ziekenhuis reden ze mijn vader weg en moest ik in een wachtkamer wachten op de arts, die mij zou vertellen dat mijn vader dood was. Ik zat in een oranje, plastic kuipstoeltje en keek naar buiten. Uiterlijk leek ik rustig maar van binnen was het hel. Stemmen in mij die riepen dat ik slecht was, dat het mijn schuld was dat Vader dood was gegaan. Een stem begon te zingen, ‘ Vol genade ben ik een kind van God, vol genade ben ik een kind van God.’ Een andere stem, vrouwelijk, begon te fluisteren dat ik weg moest gaan. Dat ik mijn kleren en spullen moest pakken en de trein moest nemen naar Parijs. ‘ Ze willen je toch niet meer, je hebt nu niemand meer, straks moet je weer terug naar Moeder.’

Ik voelde aan mijn arm, mijn been. Mijn lichaam voelde levenloos aan. Er zat geen gevoel meer in. Ik stompte mezelf op mijn been en kneep hard in mijn wang. Ik zag de dokter aankomen en stond op. Ik was verbaasd dat je met zulke gevoelloze benen toch nog op kon staan.

‘ Je vader is overleden aan een acute hartstilstand.’

Zwevend boven in de wachtkamer, bijna tegen het plafond aan, zag ik mezelf staan bij de dokter. Ik zag dat ik huilde, dat ik inklapte en op de vloer ging zitten. Ik zag Helene eraan komen die naast mij ging zitten en me probeerde te troosten. Ik keek neer op dat tafereel. In mijn hart alleen maar vrede. Ik keek toe hoe Helene mij omhoog trok en we gingen zitten in die oranje stoeltjes en ik geen adem meer kon halen. Er kwam een zuster aanlopen met een papieren zakje waar ik in moest blazen. Ik zag mezelf tot rust komen en weg lopen met de vrouw van mijn overleden vader.

Die avond raakte ik mezelf kwijt. Ik kotste, ik sloeg mijn vuisten in mijn gezicht en trok de haren uit mijn hoofd. Ik gilde en riep allerlei dingen terug tegen de stemmen die zich manifesteerden in mijn hoofd. De volgende ochtend werd ik opgenomen op de psychiatrische afdeling van het Sint Pieter hospitaal. Ik heb de begrafenis van Vader gemist.

Flash Fictie: Separeer

Ik keek door het kleine, smoezelige raampje naar binnen. De separeer was een vierkante kamer. Er hingen bruine gordijnen voor het onbreekbare raam en als je naar buiten keek, zag je alleen donkere naaldbomen. Vieze vegen over de grijze, linoleum vloer waar zij met haar blote voeten over heen liep, dagelijks, als een gekooid dier. De wanden waren van een soort kurkachtig behang, zacht materiaal waaraan ze zich niet kon bezeren. Aan het plafond hing een TL buis met een fel, lichtblauw licht zodat ik haar goed kon bekijken.  In de kamer was niets waar zij zich eventueel aan kon verwonden of aan kon verhangen.

Ze zat op het bed, naakt, haar hoofd gericht op de vloer. Ze huilde en mompelde Marokkaanse woorden naar Allah. Ik wist dat ze veel in gebed was, vragend om hulp aan haar god. In haar psychose was ze ervan overtuigd dat ze bezeten was door de duivel. Ze noemde de duivel niet bij zijn naam want die vervulde haar met onvoorstelbare angsten. Ze liep hele dagen in de separeer te ijsberen en op de ramen te slaan in een poging om te ontsnappen aan haar gevangenis. De duivel gaf haar allerlei vreemde opdrachten zoals dat ze al haar haren uit haar lichaam moest trekken en op moest eten. Of dat ze ook het plastic bestek, binnen een paar seconden, naar binnen werkte zodat haar ingewanden beschadigd raakten. Haar kleding kon ze niet verdragen want demonen verstopten zich in de naden en zakken. Hij gaf haar ook opdracht om ons te slaan, aan onze haren te trekken, ons aan te vallen als een wild dier, zodat we met zes personen op haar doken en haar een grote injectiespuit met valium moesten toedienen. Demonen in haar hoofd maakten van haar een willig slachtoffer en een hopeloos geval binnen die andere wereld, de psychiatrie.

Ik tikte op het raampje want ik wilde dat ze naar de deur kwam zodat ik even met haar kon praten. Ze reageerde niet dus ik riep haar: ‘Nora, kom eens’. Ineens was ze daar, bij de deur en bonkte en schopte tegen de deur aan. ’Laat me eruit, laat me eruit ! Ik ben bang!’ Ze sloeg hard met haar roodgeverfde hennahanden tegen het plastic raam. De tranen rolden over haar bevuilde wangen. Ik zag dat ze zichzelf onder gesmeerd had met ontlasting; de bittere geur drong, van onder de deurspleet, tot me door. Ze ging op haar hurken voor de deur zitten en plaste op de grond. Er kwam een stroompje urine onder de deur door langs mijn schoenen. Ik pakte de dweil en dweilstok en veegde het plasje op.

Ik had zo’n medelijden met haar. Ze was even oud als ik, vierentwintig jaar, en zij was zo ziek, zo ontheemd hier in het psychiatrische ziekenhuis. Na een jaar in de separeer kreeg ze zelden nog bezoek en ik vroeg me af hoe ze had geleefd voordat ze opgenomen werd. Had ze gestudeerd of gewerkt ? Er was weinig over haar bekend.

Als leerling-verpleegkundige had ik veel moeite met het accepteren van deze mensonwaardige situatie maar ik zag zelf ook wel in dat er nu geen andere plek voor haar te vinden was. ‘ Wil je met me zingen? Slaap kindje slaap, daar buiten loopt een schaap’….Nora begon zachtjes mee te zingen en liep sjokkend naar de houten kolos die haar bed was. Geen lakens maar alleen een bruine anti-scheur deken. De kleur van de deken maakte dat je niet kon zien dat de deken vies was van haar ontlasting. Ze ging liggen en trok de deken over zich heen. ‘Ga maar lekker liggen meisje, over een uurtje komen we een beker koffie brengen.’ Ik keek nog even naar haar, dat mooie, kleine Berbermeisje. Diepzwarte ogen en prachtig haar. Onbemind en ongeliefd.

Een uur later kwam ik, samen met mijn collega, haar separeer in. We waren op onze hoede want ze hield zich slapende onder de deken. ‘ Nora, ga maar rechtop zitten, dan krijg jij je koffie van ons.’ Mijn collega liep op haar af en bleef voor het bed staan. Nora ging langzaam rechtop zitten en pakte de plastic beker onbeheerst aan waardoor er koffie op haar blote been kwam. Ze slokte de koffie op en gaf de beker terug aan mijn collega. We liepen langzaam achteruit en bleven ons oog gericht houden op dit meisje dat een gevaar vormde voor anderen, maar vooral voor zichzelf. Ze bleef stil zitten met haar ogen dicht, ook op haar hoede leek het wel. Snel stapten we door de deur en draaiden deze op slot. Mijn collega liep naar het kantoor maar ik bleef nog even staan. ‘ Welterusten lieverd, ga je lekker slapen?’ Nora ging weer liggen en trok de deken over haar heen. Heel zachtjes vroeg ze me toen: ‘ Zuster, wil je nog even voor me zingen van de schaapjes?’

Flash Fictie: Kinderen In Gevaar

Het jongetje lacht lief naar mij, de ogen verscholen achter een brilletje met dikke glazen. Zijn  donkerbruine haren zijn kortgeknipt, met aan weerszijden van de oren een lange krul naar beneden hangend. Hij heeft een keppeltje achter op het hoofd, vastgezet met een knipje, zodat het tijdens het spelen niet af zal glijden. Ik pak mijn camera en neem verschillende foto’s van het mooie Israëlische jongetje en zijn vriendjes. Ik sta op het schoolplein tijdens het ochtend speeluurtje van de laagste klassen van de orthodoxe basisschool. Het duurde een tijdje voordat ik toestemming kreeg van het schoolhoofd. Nu maak ik foto’s onder het toeziend oog van de veiligheidsmensen die deze kinderen begeleiden tijdens de momenten dat ze buiten mogen zijn. Het lijkt voor de kinderen de normaalste zaak van de wereld dat ze omringt zijn door mannen met machinegeweren.

Ik ga zitten op een houten bankje en kijk om mij heen. De jongetjes hebben allemaal dezelfde kleding aan, de kleuren zijn somber zwart en wit en ze hebben een wit hesje met kwastjes onder hun blouses aan.  Ze lijken geen last te hebben van de broeierige warmte. De leerkrachten zijn niet ontspannen, maar houden de jongens als haviken in het oog. Gisteren is er weer een aanslag geweest op een bus waarbij er zeven Israëlische doden zijn gevallen. Ik neem nog wat foto’s van een jongetje met vuurrood haar en een sproetengezichtje en dwaal af met mijn gedachten naar Mark. Wat zou hij aan het doen zijn ? Gisteravond had ik hem aan de telefoon, vanuit mijn hostelkamer in de Joodse wijk van Jeruzalem. Hij zou vandaag gaan werken en vanavond naar zijn voetbaltraining gaan. Ik loop naar de veiligheidsmensen toe en spreek Shlomi aan; hij is mijn contactpersoon.

‘ Shlomi, ik ben klaar met mijn werk. Ik ga er weer vandoor, oké?’

Shlomi legt een hand op mijn schouder, ‘ Goed Veronika, als je me weer eens nodig hebt, bel me dan.’  

We nemen afscheid van elkaar en bij de uitgang besluit ik om terug te gaan naar de oude stad. Dan kan ik nog even struinen door de kleine straatjes en op zoek gaan naar een souvenir voor Mark. Na een half uurtje lopen besluit ik een fles water te kopen bij een winkeltje. De verkoper blijkt een Palestijn te zijn die iedere dag van de Westbank op en neer reist om in zijn winkel te werken.

‘ Wat doe jij hier in Israël, ben je toerist?’ 

Ik vertel dat ik fotograaf ben en voor een opdrachtgever een reportage maak over kinderen in het Joods- Palestijnse conflict.

‘ Ik ben Khaled en woon in Bethlehem. Heb je belangstelling om bij mij en mijn vrouw te komen eten?’  

Ik twijfel om zomaar met een onbekende man de Westbank in te gaan maar ik neem een avontuurlijk besluit.

‘ Oké, ik ga met je mee maar is het wel veilig voor mij ? En kan ik er foto’s maken van kinderen?’

Hij pakt zijn portemonnee en laat foto’s van zijn acht kinderen zien. Het voelt goed aan. We spreken om 19.00 uur af bij de winkel. Ik zal dan met Khaled meerijden naar zijn huis en bij zijn familie overnachten, zodat ik de volgende ochtend weer met hem mee kan terugrijden naar Jeruzalem. Na de ontmoeting loop ik snel naar de hostel om mijn spullen in te pakken. Dat kost weinig tijd want ik heb alleen een kleine tas bij me met wat kleding en toiletspulletjes. Ik ga nog even op het bed zitten om Mark te bellen.

 ‘ Mark Visser.’

‘ Hoi, met Veronika. Je raad nooit wat ik vanavond ga doen, Mark, ik ga de Westbank in met een Palestijnse winkelier om bij hem en zijn familie te overnachten!”

‘Wat! Is dat wel een goed idee, schat? Dat is oorlogsgebied, hoor! Je kent die man helemaal niet, straks heeft hij helemaal geen gezin?’

Ik lach en voel me erg onbesuisd.

‘ Je hebt gelijk maar toch ga ik mee. Ik heb mijn mobiel bij me en laat de politie hier in de Joodse wijk weten met wie ik meega.’

‘ Ik kan je niet tegen houden, maar doe wel voorzichtig. Ik hou van je!’

Bij het verlaten van de hostel laat ik de eigenaar, een excentrieke Amerikaan, weten met wie ik wegga en vraag of hij voor de volgende avond een bed voor mij wil vrij houden. Nadat ik de trappen afloop en door de smalle steegjes op zoek ga naar het politiebureau, vraag ik me heel even af of ik mezelf niet in gevaar breng. Maar de kans op foto’s van de kinderen in Westbank, zonder mogelijkheid op censuur, maakt dat ik bij mijn besluit blijf. Trouwens, ik heb wel wat mensenkennis en ik ga af op mijn intuïtie. Risico’s durven nemen maken het leven ook de moeite waard.

De dikke politieman achter de balie schudt zijn hoofd.

‘ Waarom zijn jullie fotografen en journalisten altijd zo impulsief en onbezonnen ?’

Ik lach om de bolle toet van de man die me somber aankijkt. Na een lange preek over wat ik moet doen en wat ik vooral niet moet doen, neemt hij de gegevens over Khaled op, maakt een kopie van mijn paspoort en waarschuwt me nogmaals dat de politie weinig voor me kan betekenen als ik langs de grensposten ben gegaan. Als ik mijn tas pak, stapt de politieman achter de balie vandaan en geeft me een hand.

‘ Succes, meid. Doe voorzichtig!’

Nadat we de laatste grenspost voorbij zijn, is het al donker geworden. Khaled zet er flink de vaart in met zijn oude auto en na een half uurtje arriveren we bij zijn huis. Zodra hij de auto uit is, komen er verscheidende kinderen op hem af rennen.

‘ Papa, papa!’

Hij tilt de kleinste op en geeft alle kinderen een knuffel. Ik ben ontroerd door het tafereeltje wat zich voor mijn camera afspeelt. Khaled blijkt een gematigde Palestijn te zijn die liever vrede met Israël heeft dan dat zijn kinderen in deze oorlogssituatie moeten opgroeien. Ze verwennen me met lekker eten en bij het thee drinken poseert de hele familie voor mij. Maar als ik daarna met Khaled nog even de straat op ga, kom ik ook andere kinderen tegen. De grimmige, vijandelijke blikken waarmee ze me aankijken, de zwarte bandana’s die de jongeren om hun voorhoofd geknoopt hebben, jagen me angst aan maar onder de hoede van Khaled durf ik toch foto’s te nemen van deze kinderen, opgroeiend in een omgeving vol gevaar en geweld.

Na een nacht vol onrust op straat, in de verte het geluid van helikopters en geweerschoten, ben ik opgelucht om de volgende ochtend weer in de auto naar de grenspost te zitten. Nadat we in de winkel samen een glaasje zoete thee gedronken hebben, neem ik hartelijk afscheid van Khaled en bedank hem voor alles. Ik beloof hem de foto’s op te sturen en loop weer terug naar de hostel. Het is er druk omdat er net een groep Amerikaanse studenten is gearriveerd. Ik knipoog naar de eigenaar die zijn duim opsteekt. Op de kamer bel ik Mark die dolblij is dat ik weer heelhuids terug gekomen ben.

‘ Ik heb de hele nacht geen oog dichtgedaan, kom nou maar weer naar huis. Ik wou dat je een gewone baan had, kun je geen foto’s gaan maken van bruiloften of zo?’

Ik bekijk de foto’s van de kinderen op mijn laptop. Ik zie geen verschil tussen de kinderen in Jeruzalem en Bethlehem; ze spelen samen en lachen samen. Ze zingen, dansen en stoeien met elkaar. Ze hebben nog geen idee van de gevaren om hen heen.

Flash Fictie: De Boze Man En Zijn Hond

Ik was ongeveer vijf jaar toen ik mijn moeders angst rook. Angst kun je ruiken, weet je dat? Het is een scherpe geur van vers zweet en het ruikt zurig. Ik zat achterop de fiets op de bagagedrager, voeten in de fietstassen, met mijn handen op haar heupen. Ze had haar nieuwe, zelfgenaaide jurk aan want ze was jarig. We gingen gebak halen voor de visite. Het was zomer en mijn benen waren bloot. Ik rook haar angst en voelde haar lichaam spannen. Ik werd ook bang maar ik wist niet waarvoor we bang waren. Mama stapte de fiets af en schreeuwde naar iets, het was een grote hond. ‘ Vuile nazihond, ga weg, ga weg !’ Ze trapte met haar voet naar de herdershond die wild blafte en tegen haar op begon te springen. De fiets helde over en ik viel bijna. Ik gilde en begon te huilen, het snot liep al snel uit mijn neus. Ik huilde met lange uithalen en riep: ‘ mama, mama !’ Mama stapte weer op de fiets en fietste hard weg, ondertussen schreeuwend naar de hond die achter ons aan rende. Ik zag iemand op de stoep staan. Het was een oude man en, volgens mij, de baas van de hond. De man keek naar ons met een boos gezicht. Zijn stem riep boze dingen tegen mama. Mama en ik jankten terwijl we naar huis fietsten. Ze keek niet naar mij, maar mompelde onder het huilen en sloeg zichzelf in haar gezicht. De angstgeur vervloog en toen we het tuinpad opliepen en mama me van de bagagedrager tilde, leek ze weer normaal te handelen.

‘ Hou eens op met dat hysterische gedoe, laat de buurvrouw niets merken.’ Ze pakte me bij mijn arm en kneep me hard. Mama zwaaide naar de buurvrouw en liep fluitend het huis in.